Begijnhof

Fotografie: Victor Willemse
Camera: Nikon D5100
Laatste update van deze pagina 9-9-2017
Weet u meer ? Zie hier het contactadres.

Het begijnhof is een door muren omringd complex bestaande uit huisjes en een kleine kerk in het centrum van Breda. De 29 huisjes verdeeld over twee hofjes zijn gegroepeerd rondom een kruidentuin.
Begijnen zijn vrouwen en mannen die leefden als alleenstaanden of deel uitmaakten van een soort vrije lekengemeenschap binnen de Rooms-katholieke Kerk. In tegenstelling tot een lid van een kloosterorde legden de begijnen geen eeuwige geloften af; hoewel zij kuisheid beloofden, mochten zij wel geldelijk en onroerend eigendom behouden.

Tot de dag van vandaag zijn de huisjes nog altijd bewoond door ‘vrijgezelle’ dames. Dat is tenminste de voorwaarde om er te mogen wonen. Zij behouden het begijnhof uit eerbied voor het verleden in stand.
De centrale kruiden- en bloementuin wordt nog net zoals vroeger onderhouden. Het is een prachtige tuin met een zeer grote diversiteit aan unieke planten, bloemen en kruiden.
Als je door de authentieke begijnhof wandelt, waan je je even in het verleden. Het hofje is een oase van rust. We kunnen trots zijn op dit uniek historisch plekje in de binnenstad.
Het begijnhof is beperkt open voor publiek tijdens de daguren.

Meer over het begijnhof lees je onder het overzicht van de beelden.

Locatie begijnhof: Catharinastraat 23 t/m 81 N51 35.377 E4 46.678
Status: Rijksmonument Breda Nassaustad
Internet: Begijnhof

begijnenhof 1024 7

Naam: Heilige Catharina
Omschrijving: beeld van Catharina van Alexandrië
Kunstenaar: Niel Steenbergen – RKD
Materiaal: brons
Hoogte: 1,65 meter
Jaar: 1980
Locatie: boven de poort van het poortgebouw zijde Catharinastraat

Het verhaal:
Catharina van Alexandrië ofwel ‘De heilige Katharina, de grote martelares († 25 november 307) behoort tot de populairste heiligen van de Middeleeuwen. Door de geschiedenis heen is haar oorspronkelijk Griekse biografie (ca. 6e eeuw) zeer verweven geraakt met volksverhalen en nieuwe legenden. Catharina is één van de veertien noodhelpers. Ze wordt aangeroepen als beschermster tegen de pest en ter bewaking van de kuisheid. Ook wordt ze soms gezien als beschermster tijdens de bevalling.
Catharina kwam volgens de oudste overlevering uit een roemrijk patriciërsgeslacht en was de dochter van Costus, de gouverneur van Alexandrië. Ze kende alle werken van Plato uit haar hoofd toen ze nog maar vijftien was. Ze was Jezus met hart en ziel toegedaan, en beloofde hem haar maagdelijkheid. Nauwelijks had ze dat gedaan, of keizer Maxentius werd verliefd op haar. Op haar weigering om na zijn echtgenote de tweede dame aan het hof te worden, wilde hij haar dwingen haar geloof af te zweren onder bedreiging met gruwelijke folteringen. Ook stuurde hij veertig heidense filosofen op haar af om haar te bekeren, maar in plaats van Catharina te bekeren tot het heidendom werden de geleerden tijdens de discussie met Catharina bekeerd tot het Christendom. Daarop wilde de keizer haar laten verpletteren met een folterrad waarop scherpe ijzeren punten waren gemonteerd. Door haar gebed kwam een engel haar te hulp en door bliksem brak het rad. De keizer wilde haar laten verbranden, maar het vuur waaide uiteen en verbrandde de beulen. Uiteindelijk lukte het dan toch haar te onthoofden. Uit haar halswond stroomde melk die de stad van de pest bevrijdde. Haar lichaam werd door engelen naar de Sinaïberg gebracht, waar het rond het jaar 800 door pelgrims teruggevonden werd. Het was nog steeds in goede staat. Naast de berg werd later het Katharinaklooster gebouwd.
Catharina wordt meestal met een martelwerktuig, een rad met scherpe punten afgebeeld. Een engelenkopje midden op het rad heeft triomfantelijk een stuk van het rad in de mond. Onder haar voeten ligt Maxentius, zijn hoofd loopt uit in een arm die het zwaard vasthoudt waarmee Catharina uiteindelijk onthoofd werd. (moeilijk te zien)
Het beeld vormde de afronding van de bouw van het nieuwe poortgebouw en kon er komen dankzij een actie onder de lezers van Dagblad De Stem. Het bevindt zich in een nis boven de poort in de Catharinastraat en het is afgeschermd met gaas om vogels te vermijden.
In het Breda’s museum is een gelijksoortig beeld van haar tentoongesteld.

begijnenhof 1024 6
Naam: De Kus
Omschrijving: gevelsteen van religieus tafereel
Kunstenaar: Lou Manche RKD
Materiaal: chamotteklei
Hoogte: 65 cm
Jaar: ca. 1980
Locatie: poortgebouw, binnenzijde

Het verhaal:
Deze icoon is aangebracht aan de binnenzijde van het poortgebouw, nadat deze in 1970-1980 is herbouwd. Waar de icoon zich voorheen bevond is thans niet bekend bij de redactie.
Op de icoon zien we Josef, Maria en aartsengel Gabriël.

Gabriël komt tweemaal voor in het Evangelie volgens Lucas (onderdeel van het christelijke Nieuwe Testament).

  • Een engel kondigde volgens hoofdstuk 1, vers 11-20, van het Evangelie volgens Lucas aan Zacharias de geboorte van zijn zoon, Johannes de Doper aan. Zacharias vraagt hem of die boodschap wel juist is. Hierop antwoordt de engel: “Ik ben Gabriël die altijd in Gods nabijheid is, en ik ben gezonden om je dit goede nieuws te brengen.”
  • De voor de christenen belangrijkste rol van de engel Gabriël, is zijn in hoofdstuk 1, vers 26-38 van hetzelfde Evangelie van Lucas beschreven aankondiging aan Maria van haar aanstaande maagdelijke zwangerschap en de geboorte van Jezus ‘die de Zoon van de Allerhoogste zal worden genoemd’. De christelijke terminologie voor deze aankondiging is annunciatie of ‘Maria Boodschap’.

Het beeld is van chamotteklei gemaakt waardoor het werk een prachtige zachtgele gouden gloed heeft, maar ook bijzonder kwetsbaar is.

begijnenhof 1024 4

Omschrijving: beeld van 2 begijntjes
Kunstenaar: Hans Bayens – RKD
Materiaal: brons
Hoogte: 1,35 meter
Jaar: 1971
Locatie: kruidentuin

Het verhaal:
De opdracht voor het maken van dit beeld vond zijn aanleiding in het zilveren priesterjubileum van J. A. J. Ooms, pastoor van het begijnhof. Bij die gelegenheid, op 16 juni 1971, is het beeld in bruikleen aan het begijnhof overgedragen.
Op een gedenksteen is weergegeven: “In dankbare herinnering aan J.A.J. Ooms priester herder van dit begijnhof tussen 1964 en 1997 en de laatste der pastoors van de begijnen die hier vanaf 1246 tot 1990 gebeden en gewerkt hebben. Hij was 33 jaren lang beschermer van het begijnhof als monument. De begijnhofbewoners 1 september 1997”.
De begijntjes leggen een stukje historie vast en houden de herinnering aan de Bredase begijnen levend.
Bij de VVV zijn ook kleinere replica’s te koop van circa 10 cm hoogte.

begijnenhof 1024 3

Omschrijving: beeld van Johanna van Polanen
Kunstenares: Netty Werkman – RKD
Materiaal: brons
Hoogte: 1,7 meter
Jaar: 11 september 2009
Locatie: het tweede hof

Het verhaal:
Het beeld toont Johanna van Polanen zoals zij met haar echtgenoot Graaf Engelbrecht I van Nassau op hun grafmonument is weergegeven in de Grote Kerk. Als gevolg van dit huwelijk kwam er voor het eerst een persoon van het geslacht Nassau in Nederland wonen. Johanna was de drijvende kracht achter de bouw van de in 1440 voltooide Wendelinuskapel, tegenwoordig bekend als Waalse Kerk. Nadien, in 1535, verhuisde de 13e-eeuwse begijnengemeenschap naar de huidige locatie gelegen achter de kerk. Het beeld is bij gelegenheid van de heropening van het Begijnhof na de restauratie van 2007-2008 op 11 september 2009 onthuld door Mgr. Dr. J.H.J. van den Hende, voormalig bisschop van Breda.
Tussen de handen van het beeld zien we een soort leisteen/schriftje/plaatje met handgeschreven tekst. Het is wat moeilijk leesbaar, maar wie goed zijn best doet kan de volgende tekst ontcijferen:
“”
Aan het schildje hangen 3 medaillons.

begijnenhof 1024 2

Naam: Maria op de maansikkel / Madonna
Omschrijving: beeld van Madonna
Kunstenaar: Lou Manche – RKD
Materiaal: chamotteklei
Hoogte: 2, 05 meter
Jaar: 1967
Locatie: op de uitbouw van de pastorie

Het verhaal:
Vanaf 1953 werd de ingang van het begijnhof afgesloten door een eenvoudige houten poort, nadat in 1952 het 19e eeuwse poortgebouw werd gesloopt.
Terg gelegenheid van het 700-jarig bestaan van het begijnhof in 1967 werd dit Mariabeeld aangebracht tegen de buitenmuur aan de Catharinastraat.
In 1980 werd deze poort weer vervangen door het huidige poortgebouw. Hierbij werd het Mariabeeld verplaatst naar de muur van de pastorie naar de kerk.
Een madonna (samentrekking van Ital. mia donna = mijn vrouwe) is in de kunst en in de religie een afbeelding van Maria. Vaak wordt Maria daarbij uitgebeeld met het (meestal naakte) kind Jezus op haar schoot of in haar armen.
Madonna’s komen veel voor in iconen en andere vormen van schilderkunst. Er bestaan ontelbaar veel beelden, bijvoorbeeld uit de romaanse tijd, de gotiek en de renaissance, waarin dit thema uitgewerkt wordt.
Maria – de moeder van Jezus – wordt beschouwd als de belangrijkste heilige.
Aan de voeten van Maria bevindt zich een maansikkel, het klassieke symbool van kuisheid. De slang is het symbool van het kwaad, de appel verwijst naar de zondeval. Maria vertrapt de slang, de overwinning op de zonde.
Het beeld is van chamotteklei gemaakt waardoor het werk een prachtige zachtgele gouden gloed heeft, maar ook bijzonder kwetsbaar is.

begijnenhof 1024 1

Omschrijving: beeld van Heilige Catharina
Kunstenaar: van Hool – RKD
Materiaal: steen
Hoogte: 1,5 (alleen het beeld)
Jaar: 1837
Locatie: boven ingang van de kapel

Het verhaal:
Voor beschrijving zie het beeld boven het poortgebouw.
Het beeld is gemaakt in opdracht van bouwpastoor Willem van Zon.

Heksenbol

Naam: Heksenbol
Omschrijving: glazen bol op stalen frame
Materiaal: staal en glas
Hoogte: ca. 1,8 meter
Locatie: het tweede hof

Het verhaal:
Deze verspiegelde glazen bol op een ijzeren standaard staat er van de IJsheiligen (11, 12 en 13 mei) tot Allerzielen (2 november). Het was een effectief middel om demonen, ziekten en tegenspoed te weren en tegelijk een afschrikmiddel voor de duivel die zijn spiegelbeeld in de bol kon zien.

Het Begijnhof Breda bestaat uit:

  • de Prinsenpoort, de oorspronkelijke hoofdpoort. In 1544 is de hoofdpoort verplaatst naar de Catharinastraat. Er kwam hier nu een wachthuisje met een smalle poort, de Valkenbergse Poort. In 1896 werd deze dicht gemaakt door een aanbouw.
  • de Begijnhuisjes; de nummers 31 tot en met 43 zijn de eerste huisjes die in 1535 zijn gebouwd. Daarna kwamen de nummers 63 tot en met 73. Een begijnhuisje bestond uit twee vertrekken; een voorkamer en een onderkelderde opkamer op de begane grond. Halverwege de 18e eeuw is er een verdieping bovenop gebouwd.
  • de Kosterij. De kosteres was verantwoordelijk voor de kerk en de sacristie. Ze droeg zorg voor de voorbereiding van de mis en het onderhoud van de gewaden en het kerkelijke linnen. Er werden naast de dagelijkse Mis, ook huwelijks- en begrafenisplechtigheden gehouden.
  • het Kakhuis uit 1856. Er waren vier kakdozen. Het spoelwater haalden de begijnen bij de pomp. Tot de jaren zeventig zijn ze in gebruik gebleven, daarna kregen de huisjes waterleiding en toiletten. Nu worden de zaden van de kruidentuin er bewaard.
  • de Begijnenkerk, gebouwd in 1836-1838. Het gebouw is een eenbeukige kapel van baksteen in neoclassicistische stijl. In 1888-1891 kwamen er twee glas-in-loodramen van de twee patroonheiligen: Sint-Catharina en Sint-Begga. Ook zijn er drie ramen gewijd aan het leven van Sint-Begga.
  • de Heksenbol. Deze verspiegelde glazen bol op een ijzeren standaard staat er van de IJsheiligen (11, 12 en 13 mei) tot Allerzielen (2 november). Het was een effectief middel om demonen, ziekten en tegenspoed te weren, en tegelijk een afschrikmiddel voor de duivel die zijn spiegelbeeld in de bol kon zien.
  • het Tweede hof. In 1825-1859 traden 43 nieuwe begijnen toe. Er kwam een tweede hof van negen huisjes. Op de uitbouw van de huidige pastorie staat een Madonnabeeld van Lou Manche ter herdenking van het 700-jarig bestaan van het Begijnhof in 1967.
  • de Kruidentuin. Er was vroeger een verplichting om geneeskrachtige kruiden te planten. Later kwamen hier rozen. In 1970 is de kruidentuin in ere hersteld en bestaat uit 20 vakken met ruim 300 kruiden.
  • het Bleekveld en washuis. In 1970 is het grasveld waar de begijnen het linnengoed droogden in ere hersteld. Ze deden de was voor de parochiekerken. In 1842 werd een spoel- en washuis met hardstenen pomp ingericht.
  • de Infirmerie (verpleeghuis) en schuilkerk.
  • het huis van de hofmeesteres. Iedere drie jaar kozen de begijnen een hofmeesteres. Zij zag toe op de naleving van de regels, beheerde het vermogen en onderhield de contacten met de overheden. Zij woonde altijd alleen. In 1972 overleed de laatste hofmeesteres Anna Maria Albertine Holtzer.
  • het Novicenhuis. Novicen waren begijnen in opleiding die, onder permanent toezicht van de Novicenmeesteres, hier woonden. Zij werden een jaar lang door haar ingewijd in het leven op het hof. Ze droegen een zwarte kap. De pastoor en de hofmeesteres besloten over hun toetreding.
  • de Waalse kerk. In 1440 werd de gotische St. Wendelinuskapel gesticht door Johanna van Polanen, de vrouw van graaf Engelbrecht I van Nassau, Heer van Breda. De kapel was oorspronkelijk gewijd aan de Heilige Wendelinus, die beschermde tegen de pest en haar persoonlijke beschermheilige was. Hun zoon graaf Jan IV van Nassau heeft de bouw voltooid. In 1590 werd het katholieke Breda veroverd door Prins Maurits, wat grote veranderingen in de stad teweeg bracht. De kapel werd de Begijnen afgenomen en werd ingericht als Waalse Kerk, Eglise Wallonne zoals boven de toegang staat. In 1625 heroverde Spinola de stad en kregen de Begijnen het gebouw weer tot hun beschikking, maar in 1637 werden de Spanjaarden ten slotte verjaagd door Maurits’ broer Prins Frederik. De overwinning van de protestanten vond haar bekrachtiging in de Vrede van Münster in 1648. De kerk kwam toen in handen van de Waalse Gemeente. De kerk is een rijksmonument.
  • het Poortgebouw. In een nis in de voorgevel staat het bronzen Catharinabeeld van de Oosterhoutse beeldhouwer Niel Steenbergen. De poortierster, die in het huisje bij de poort woonde, opende en sloot de poort, iedere begijn moest zich bij haar melden. Hier wordt ook de Minitiatuurcollectie Tine Merkx tentoongesteld. De voorafgaande klassicistische uit 1830 is in 1954 gesloopt. De huidige poort is bij de algehele renovatie van 1970-1980 herbouwd.
  • het Valkenberg. Dit is het (nu nog huidige) Valkenberg Park. Het toen genoemde ‘als zijnde geene genoegzaam stille plaats voor Geestelijke Kinderen’ werd halverwege de 19e eeuw voor de begijnen verboden terrein.

Geschiedenis begijnhof Breda

Het begijnhof werd in 1267 gesticht op grond die door Hendrik, heer van Schoten en Breda was geschonken. De begijnen waren veelal van adellijke afkomst. Dit eerste Begijnhof bevond zich op het huidige Kasteelplein bij het Kasteel van Breda de huidige Koninklijke Militaire Academie (KMA). De fundamenten hiervan werden in de jaren 90 van de 20e eeuw blootgelegd en onderzocht.
In 1525 besloot graaf Hendrik III van Nassau-Breda, Heer van Breda, het Kasteel van Breda uit te breiden tot een renaissancepaleis. Het begijnhof moest daarom hier weg. In 1535 verhuisden de begijnen naar de huidige locatie aan de Catharinastraat. Hier kregen ze de beschikking over de St. Wendelinuskapel. De meeste huizen werden in de 17e eeuw vervangen.
Vanwege banden met het huis Oranje-Nassau genoot het begijnhof na de Reformatie bescherming van de Oranjes, waardoor het als enige katholieke instelling in de stad mocht blijven voortbestaan. Wel werd in 1590 de kapel geconfisqueerd en ingericht als Waalse kerk. Deze functie heeft dit gebouw tot op heden behouden. De begijnen richtten hierna twee huizen aan de noordzijde van het begijnhof in als kerk. Pas in 1837 konden de begijnen weer over een echte kerk beschikken, een klein gebouw in neoclassicistische stijl.

Begijnhof Museum

Het kleine Breda’s Begijnhof Museum is gevestigd in huisje 29. Hier is een originele woonkamer en keuken te zien zoals een Begijntje vroeger had. Boven wordt nog in kleine opstellingen de aspecten uit het begijnenleven belicht. Ook draait er het audiovisueel programma ‘Bruiden van Christus, over de twee begijnen De Leeuw en Cornelia Frijters. Cornelia (“zuster”) Frijters, geboren te Fijnaart op 20 maart 1909 en overleden te Breda 13 april 1990, was de laatste begijn van Nederland. Ze woonde vrijwel haar hele volwassen leven op het Bredase Begijnhof. Volgens de geldende traditie voor begijnen werd ze naamloos en zonder grafsteen begraven op begraafplaats Zuylen in Breda, te midden van haar vroegere medezusters.
Het museum is geopend van dinsdag tot en met zondag van 12.00 tot 17.00 uur; van november tot april alleen op zon- en feestdagen.

Miniaturen- en poppenhuismuseum

In het poortgebouw van het Begijnhof (Catharinastraat 23) is een expositie te zien van een indrukwekkende collectie miniaturen en poppenhuizen. Alles, maar dan ook werkelijk alles wordt al eeuwenlang in miniatuur nagemaakt. Van een origineel begijnenhuisje tot een weergave van het goede leven, van een stoffenwinkel uit de jaren ’50 tot het Bredase turfschip en van het Speelhuis van Prins Maurits tot een volledig ingericht grachtenpand in art-deco stijl. Bij het Miniaturen- en poppenhuismusuem proeft u de sfeer en beleeft u de passie. Het museum is open op zondag en maandag van 13.00-16.30 uur en op dinsdag tot en met zaterdag van 10.00-16.30 uur.

Begijnen en begarden
Begijnen en begarden (ook wel bogaarden of beggaarden genoemd) zijn resp. vrouwen en mannen, die leven als alleenstaanden en deel uitmaken van een soort vrije lekengemeenschap binnen de Rooms-katholieke Kerk en meestal in een begijnhof verblijven. Anders dan een lid van een kloosterorde leggen begijnen en begarden geen eeuwige geloften af; hoewel zij kuisheid beloven, mogen zij wel geldelijk en onroerend eigendom behouden. Door sommigen wordt de term begijn ook (spottend) gebruikt voorvrome vrouw of kwezel.
Hun patroonheilige is de Heilige Begga. Het woord ‘begijn’ zou afgeleid zijn van deze naam. Andere bronnen zeggen echter dat ‘begijn’ afkomstig is van de kleur van hun pijen: beige. Nog andere bronnen zeggen dat het woord afkomstig zou zijn van Albigenzen. Ook wordt wel verondersteld dat de term ‘begijn’ is afgeleid van de stambegg die zou duiden op mompelen, stamelen (vgl. het Franse bègue= stamelaar). In deze opvatting is een begijn een vrouw die voortdurend gebeden prevelt.

Geschiedenis algemeen

11e eeuw

In de Lage Landen ontstonden de eerste begijnhoven, als infrastructuur voor een nieuw spiritueel samenwerkingsverband, op instigatie en inspiratie van ‘heilige vrouwen’, zo noteerde augustijner biograaf van Maria van OigniesJacob van Vitry in 1215. Zij ‘wijdden zich aan hun hemelse bruidegom’ en hij haastte zich eraan toe te voegen dat zij ‘de vleselijke verlokkingen de rug toe keerden en de rijkdommen van de wereld verachtten’.
Als gevolg van de Gregoriaanse hervormingen ontstonden in geheel West-Europa spontane en georganiseerde religieuze bewegingen. Omstreeks de 11e eeuw waren er bewegingen die een terugkeer naar de oorsprong van de kerk zoals beschreven in het Nieuwe Testament en de Handelingen van de Apostelen voor ogen hadden.
Het streven van deze Apostolieken was een leven in eenvoud, armoede en kuisheid uit protest tegen een geestelijkheid die openlijk samenleefde met concubines en geen aandacht meer had voor hun parochianen.

12e eeuw en 13e eeuw

Het waren vooraanstaande vrouwen, de gravinnen Johanna en Margaretha van Vlaanderen die ook begijnhoven stichtten in Gent (1234), Valenciennes (1239), Kortrijk (1242), Rijsel (1244-45) en Douai (1245).
Onder invloed van vernieuwende figuren als Sint-Norbertus en later Sint-Franciscus, die boetebeleving en armoede predikten, kwam er een verdieping van het geloofsleven en verkreeg de geloofsbeleving een nieuw en menselijk karakter. Als gevolg daarvan trof men in het Westen in de loop van de 12e eeuw meer en meer vrouwen aan die alleen of in kleine groepen, thuis bij hun familie of in aparte huizen leefden. Men verkoos om teruggetrokken van de wereld in zelfgekozen armoede ter heiliging, een vroom en kuis leven te leiden. Men trof deze religieuze vrouwen aan over geheel West-Europa van Scandinavië tot in Spanje. Hun naam evolueerde van “vrome vrouwen” naar religieuze vrouwen die in de volksmond de spotnaam “begijnen” kregen met een ketterse bijgedachte. In de aanvang van de 13e eeuw deelden de zogenoemde begijnen die naam met een hele reeks van ketterse bewegingen zoals AlbigenzenVrije geesten en andere. In sommige groepen begijnen zullen wellicht ook wel verwante ideeën hebben geleefd.
De kerk bekeek deze groep, die steeds groter werd en door zijn onafhankelijkheid ontsnapte aan de controle van de geestelijkheid, met grote argwaan. Sommige geestelijken zagen, dat het volk in zijn vraag naar een andere kerk behoefte had aan geestelijke begeleiding; Lambert le Bègue, een priester uit het Luikse, vertaalde voor deze vrouwen het leven van de heilige Agnes en delen uit de Handelingen van de Apostelen. Toen paus Innocentius III in 1216 instemde met de nieuwe beweging stelde men in de daarop volgende jaren een grote bloei en verspreiding vast. Omstreeks 1240 konden de eerste vormen van een georganiseerde beweging onderscheiden worden, die zich langzaam van de naam “Begijn” gingen bedienen zonder nog de bijgedachte aan ketterse praktijken met zich te nemen.
In de Lage Landen in de buurt van Nijvel en Oignies in Brabant en in het Luikse ontstonden de eerste kernen van samenlevende groepen religieuze vrouwen onder de naam Begijnen. Maria van OigniesIda van Leuven en andere begijnen werden door toenmalige geestelijken en het volk als bijna-heiligen beschouwd.
De nieuw ontstane gemeenschappen van vrome vrouwen of mulieres religiosae leefden eerst verspreid in de stad maar naderhand bij voorkeur in de nabijheid van een kerk of een kapel en onderhielden zichzelf door inkomsten uit eigen arbeid. Na verloop van tijd nam hun aantal toe en zij groepeerden zich in de eerste conventen, veelal rond hospitalen en leprozerijen. De beweging concentreerde zich aan het einde van de 13e eeuw voornamelijk in het noorden van Frankrijk, Vlaanderen, Brabant, Luik, de Rijnstreek in Duitsland van Keulen tot Bazel en in mindere mate Italië en Zuid-Frankrijk. Hadewijch is waarschijnlijk de bekendste begijn en mystica uit de 13de eeuw.

14e eeuw

In 1311 trof de kerk op het concilie van Vienne maatregelen tegen wat genoemd werd de ketterse bewegingen in begijnse kringen. De bewegingen waren weliswaar religieus, maar niet aangesloten bij de officiële kerk, vandaar dat ze als ketters beschouwd werden. De getroffen besluiten werden nooit omgezet in maatregelen behalve in Duitsland en Frankrijk, maar de bisschoppen in de Lage Landen verdedigden het orthodoxe van de begijnen in hun bisdommen, waardoor ze van de verschillende pausen vrijstellingen verkregen en ze hun gemeenschappen verder konden uitbreiden. Eén van de bekendste slachtoffers van de begijnenvervolging was Margareta Porete. Zij stierf in 1310 op de brandstapel, samen met haar boek “Spiegel der eenvoudige zielen”, een werk dat later herontdekt werd.
In de praktijk kwam het erop neer dat alleen nog begijnen geduld werden, die zich vrijwillig samenvoegden in conventen of begijnhoven onder leiding van kloosterlingen of een priester. De begijnhoven werden door een muur omgeven en tussen zonsondergang en zonsopgang van de buitenwereld afgesloten. De begijnen leefden er een godvruchtig leven met alle dagen het volgen van de heilige mis, luisteren naar de preek, gebedsstonden en het lezen van de psalmen in het goddelijk officie indien mogelijk. Bovendien baden zij reeds vroeg de Mariale devotie van de rozenkrans. De begijnen stelden zich onder leiding van een grootmeesteres en gehoorzaamden aan de statuten die door de bisschoppen werden goedgekeurd.
In tegenstelling tot kloosterzusters, die eeuwige geloften aflegden, verklaarden de begijnen alleen maar voor een bepaalde tijd sober, in kuisheid en van hun eigen vermogen of verdiensten te zullen leven. Ze waren vrij om uit te treden om te huwen waarbij ze zes weken voor de huwelijksvoltrekking het begijnhof moesten verlaten. Het begijnhof bevatten jonge meisjes, ongehuwde vrouwen van alle leeftijden en weduwen. Jonge meisjes werden aan de begijnen toevertrouwd om er onderwijs te krijgen.

15e eeuw

De beweging groeide zelfs zover dat ze in de 15e eeuw in bepaalde steden tussen 2 en 5% van de totale bevolking uitmaakte, en sommige begijnhoven als Keulen, Mechelen, Gent en andere telden op hun hoogtepunt tot meer dan 2000 begijnen.

Recent verleden

In de loop van de verdere geschiedenis kende de begijnenbeweging door de vervolgingen in het zuiden van Europa, Zwitserland en Duitsland een grote terugloop om tegen het einde van de 18e eeuw nog vrijwel alleen in de Nederlanden voor te komen. Dertien begijnhoven in Vlaanderen maken sedert 1998 deel uit van het werelderfgoed van de UNESCO.
Nadat op 23 mei 2008 de bijna 100-jarige Marcella Van Hoecke (geboren in 1908), grootjuffrouw van het klein Begijnhof te Gent, overleden is, rest er wereldwijd nog slechts één traditionele begijn: Marcella Pattyn, geboren in 1920, begijn in het begijnhof te Kortrijk, nu verblijvend in rusthuis Sint-Jozef te Kortrijk. De laatste Nederlandse begijn, Cornelia Frijters, stierf in 1990. Zij woonde vrijwel haar hele volwassen leven op het begijnhof in Breda.
In Duitsland is afgelopen decennia sprake van de opleving van een nieuwe begijnenbeweging.

Poortgebouw
Poortgebouw

Het poortgebouw uit 1830 (zie foto hierboven) is in 1954 gesloopt. Hoewel het huidige poortgebouw uit 1970-1980 nog steeds de centrale grote poort heeft, is het toch een totaal ander gebouw. De foto laat ook zien dat het huidige beeld van de heilige Catharina destijds niet op gevel aanwezig was.

Bron: Wikipedia en Gemeente Breda, bewerkt door Victor Willemse

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s